Er zijn 4 hoofdinstellingen wanneer men een foto maakt met een fototoestel. De meest goedkope fototoestellen gaan de meeste automatisch instellen (soms zelfs allemaal) voor jou, maar een digitale reflex camera is een volledig functionerende digitale camera dat u zelf in staat stelt om zelf enkele instellingen te wijzigen naar mate je meer gevorderd bent. Met andere woorden kun je met digitale reflex camera zelf kiezen hoe ver je wil gaan met het manueel instellen.
De eerste instelling is de brandpuntsafstand. Dit verwijst naar de hoeveelheid zoom of bereik jou lens heeft. Er zijn 2 types van lenzen met verwijzing naar deze instelling. “Zoom”-lenzen doen juist dat, ze zoomen. Bijvoorbeeld je hebt een 18-55mm zoom-lens. Zijn brandpuntsafstand op zijn wijdste bereik is 18mm. Zijn brandpuntsafstand op zijn smalste hoek is 55mm. Het andere type van lens is een “prime”-lens. Primelenzen komen allemaal in verschillende brandpuntsafstanden, maar ze kunnen niet op hun eigen zoomen. Bij deze soort van lenzen moet je zelf dichterbij gaan om in te zoomen of afstand nemen op het object om uit te zoomen. Met andere woorden, je moet je eigen lichaam bewegen om te veranderen wat er op jou foto komt te staan.
De tweede instelling is uw ISO. ISO verwijst naar de gevoeligheid van de sensor die in jou digitale camera zit. Hoe hoger de ISO, hoe meer gevoeligheid er is voor licht. Wat dit wilt zeggen is, dat voor een specifieke hoeveelheid van licht, een hogere ISO-instelling de opname sneller zal voltooid dan bij een lagere ISO-instelling. Op de meeste digitale reflex cameras wordt ISO verhoogt (of verlaagt) met 1 stop. Wat dit betekend, is dat wanneer je je ISO-waarde verdubbelt (100 -> 200, 200 -> 400, 400 -> 800, enz…) de tijd dat de sensor wordt blootgesteld aan het licht halveert. Omgekeerd, wanneer je de ISO-waarde verlaagd met 1 stop en je laat alle andere instellingen hetzelfde, dan zul je tijd dat de sensor wordt blootgesteld moeten verdubbelen. Nu, de makkelijkste oplossing is, stel de camera in op de hoogste ISO-waarde en laat het zo staan. Maar hou rekening met het feit, dat hoe hoger je ISO-waarde zet, hoe meer ruis er op het beeld zal komen te staan. Digitale cameras verhogen de gevoeligheid van de sensor door meer vermogen in de sensor te sturen. Deze stijging van vermogen in de sensor zal er voor zorgen dat er ruis zal ontstaan op uw beelden. Op oudere toestellen is het verschil tussen ISO 200 en ISO 800 heel groot en is het verschil in ruis heel duidelijk te zien. Dus in de meest ideale situatie stel je je digitale camera in op de laagste ISO-waarde. Dit zal een mooiste beeld opleveren.
De derde instelling is de sluitertijd. Sluitertijd is de hoeveelheid tijd waarbij de sensor van je digitale camera wordt blootgesteld aan het licht. Je bent een levend wezen en dus niet gemaakt uit steen. Je lichaam zal trillen wanneer je een foto neemt. Uw subject, of het nu bladeren zijn of stereen of mensen of volgels zullen ook bewegen wanneer je een foto neemt. Voor deze reden, wil je de sluitertijd zo laag mogelijk houden. Hoe sneller de sluiter open en sluit, hoe minder tijd je hebt voor het schudden en hoe scherper je foto’s zullen zijn.
Sluitertijden op jou camera zijn voorgesteld op 2 manieren. Voor sluitertijden in seconden, zal je een nummer kunnen aflezen gevolgd door een eenheid (bv: 1”). Voor sluitertijden in fractie van een seconde zal de noemer van de breuk verschijnen op de camera. Met andere woorden, een sluitertijd van 1/500ste vaneen seconde zal voorgesteld worden op de camera als “500” (geen eenheid). Hoe hoger het nummer (zonder eenheid), hoe kleiner de sluitertijd en hoe kleiner de kans op bewogen beelden.
Het is belangrijk te onthouden dat met het verlengen van de brandpuntsafstand, de hoeveelheid trilling exponentieel stijgt. Als je ooit door een verrekijker hebt gekeken, dan weet je hoe moeilijk het is om deze stil te houden. Hetzelfde geldt bij een brandpuntsafstand van 300mm tegenover een brandpuntsafstand van 50mm. Er is een algemene regel in de fotografie die zegt dat de sluitertijden sneller moet zijn dan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand. Dus als je een brandpuntsafstand gebruikt van 200 mm, dan mag de sluitertijd niet groter zijn dan 1/200ste van een seconde.
Algemeen, wanneer je de camera in je hand vast houdt (=niet ondersteund door een statief of tafel), probeer de sluitertijd niet trager dan 1/60ste van een seconde te laten gaan (brandpuntsafstand niet achting genomen). Soms is het niet mogelijk om snellere sluitertijden te gebruiken, omdat er niet genoeg licht aanwezig is. Maar in dit geval is de kans op een scherpe foto heel klein. Deze regel is niet altijd geldig. Soms zijn er situaties waarbij je de actie niet wil bevriezen.
De vierde instelling is het diafragma. Tot nu toe hebben we de gevoeligheid van de camera voor licht en de sluitertijd ingesteld. Het diafragma bepaald de hoeveelheid licht we op de sensor laten vallen. Het diafragma zelf is eigenlijk een deur die in de lens zit. Denk aan een deur die zich in een ruimteschip zit in een goedkope sci-fi-film, maar dan rond en van in het midden naar buiten opengaat. De hoeveelheid licht het diafragma door de camera laat gaan noteert met een nummer, genaamd “f-stop”. Hoe kleiner dit getal is, hoe meer de “deur” open kan en hoe meer licht er gelijktijdig door kan. Hoe groter dit getal is, hoe kleiner de opening en hoe minder licht er door kan.
Wanneer we refereren naar een foto die volledig “open” is genomen, dan spreken we over het diafragma en dat het diafragma op zijn grootste opening stond (kleinste F-nummer) wanneer de foto genomen was. Natuurlijk is het leuk dat je over een lens beschikt dat veel licht naar de sensor kan doorlaten. Hierdoor kunnen we een snellere sluitertijd gebruiken, omdat we de sensor niet zo lang moeten blootstellen aan het licht. Het werkt niet alleen op sluitertijd, maar we kunnen ook onze ISO-waarde verlagen, zodat we minder ruis op ons beeld krijgen.
Er zijn 2 types van lenzen die betrekking hebben op het maximale diafragma. Er zijn lenzen die over hun volledig bereik dezelfde diafragmawaarde kunnen behouden. Wanneer je hier de brandpuntsafstand verandert van de lens, zal de diafragmawaarde niet mee veranderen. Bijvoorbeeld bij de Canon EF 70-200mm F/4 lens. De maximale diafragmawaarde bij deze lens blijft dezelfde of de brandpuntsafstand nu 70mm of 200mm is.
Het andere type van lens (met betrekking van diafragma) verandert zijn maximale diafragma als de brandpuntsafstand wordt verandert. De standaard kitlens, de Canon EF 18-55 F3,5-5,6 is één er van. Zijn diafragmawaarde bij zijn kleinste brandpuntsafstand, 18mm, zal 3,5 zijn, maar zal verhogen tot 5,6 wanneer er de brandpuntsafstand verhoogd wordt tot 55mm. De reden achter de verandering van diafragmawaarde heeft te maken met de inwendige constructie van de lens, de grootte en gewicht van de lens en de kostprijs van de lens.
Natuurlijk, de ideale situatie is dat je het diafragma van je lens op de hoogste lens laat staan, zodat er veel licht door kan en dus zo de sluitertijden zo snel mogelijk zijn (reduceert het trillen) en om de ISO-waarde zo laag mogelijk te houden. Maar er zijn 2 problemen die hierbij opsteken.
Het eerste probleem is simpel. Lenzen presteren niet altijd op hun beste niveau wanneer ze helemaal open gebruikt worden. Vele aspecten van fotokwaliteit hangen hier van af, maar iedere individuele lens is anders in hoe hij presteert onder die bepaalde diafragmawaarde. Het is hoogst aangeraden, dat wanneer je veel tijd achter je camera hebt doorgebracht en je meer ervaring hebt over het hele gebeuren van fotografie dat je wat tijd spendeert aan het evalueren van al je lenzen op verschillende diafragmawaarden, zodat je van je eigen lenzen weet, op welke diafragmawaarde ze het beste presteren.
Het tweede probleem is de scherptediepte. Nu dit is heel moeilijk te begrijpen wanneer je nog niet veel ervaring hebt met fotografie. Als je hoofd, na het lezen van al wat hier voor staat, al vol begint te geraken. Stop dan nu, neem wat adem, zet deze pagina bij je favorieten en kom volgende keer eens terug.
Nog altijd hier?
Ok. Scherptediepte verwijst naar de afstand voor en achter uw focuspunt (het exacte punt waarop je hebt gefocust) dat ook in focus is. Er zijn 4 manieren waarop je de scherptediepte kunt manipuleren.
De eerste manier is de grootte van de sensor van je digitale camera. Dit is makkelijk, omdat als je deze wilt veranderen, je verplicht bent een andere camera te kopen met andere sensorgrootte.
De tweede factor is jou afstand tot het object dat je wil fotograferen. Dit is makkelijk om te zien. Als je door een fotoalbum kijkt, zoek naar de foto die genomen hebt van één of ander standbeeld. Misschien een berg die heel ver weg stond of een stad, maakt niet uit. Verondersteld dat het een goede foto is (scherp). Ik durf er voor te wedden dat op deze foto veel bomen, gras, gebouwen, enz.. in focus zijn en dus scherp voorgesteld worden. Als je nu zoekt naar een close-up foto, maar dan echt close-up, dan kun je zien dat er objecten die maar een meter achter het object staan niet in focus zijn, zo erg zelfs dat je niet meer kunt herkennen wat of wie het is. Hieronder een voorbeeld.


Merk op hoe zijn gezicht wel in focus is, maar de mensen achter hem tot zelfs zijn handen dit niet zijn. Nu di is een extreem voorbeeld en in deze opname probeerde ik dat effect te bereiken, maar van het punt dat als hij 3 meter verder had gestaan dan dat hij nu stond, het creëren van zo’n scherptediepte niet mogelijk was geweest.
Het derde aspect van een lens dat de scherptediepte beinvloed is de brandpuntsafstand. Met alle andere dingen zijnde hetzelfde, een langere brandpuntsafstand zal een kleinere scherptediepte creeren. Dus als je een foto neemt van een persoon die 3 meter ver staat ten opzichte van de camera en je zou 18mm als brandpuntsafstand gebruiken, meer van wat er voor en achter de persoon staat zal in focus staan dan als je dezelfde foto zou nemen met een langere brandpuntsafstand.
En natuurlijk, het vierde aspect dat de scherptediepte manipuleert is het diafragma. Hoe kleiner het F/-nummer (meer licht), hoe kleiner de scherptediepte. In de foto die ik hierboven postte, gebruikte ik mijn snelste lens (snel verwijst naar de hoeveelheid licht die lens kan doorlaten) en ik gebruikte de lens helemaal open (kleinste F/-waarde, in dit geval F/1,4).
And of course, the fourth aspect that affects depth of field is the aperture. The lower the F/number (the more light) … the shallower your depth of field. In the picture I posted above, I used my “fastest” lens (fast refers to the amount of light the lens is capable of passing through) and I used the lens wide open {lowest F/value, in this case F/1.8}
Hier is nog een voorbeeld van een kleine scherptediepte:

Deze foto werd genomen met dezelfde lens als hierboven. De lens in dit voorbeeld is de Canon EF 50mm f/1,4. Om te herhalen, dit wilt zeggen dat deze een vaste brandpuntsafstand heeft van 50mm en het maximale diafragma is F/1,4.
In het algemeen, prime lenzen zijn sneller (laten meer licht in) dan gelijk geprijsde zoom-lenzen die dezelfde brandpuntsafstand delen, omdat er minder mechanische onderdelen in de lens aanwezig zijn (minder onderdelen = meer plaats = meer licht).
Some misc ramblings:
Zoals met ISO, met elke stop van een lens, gaat de hoeveelheid licht ofwel verdubbelen als het diafragma opent (kleiner nummer) ofwel halveren als het diafragma sluit (hoger nummer). De hoeveelheid licht dat door de lens gaat bij F/4 is exact de helft dan dat er door gaat bij F/2,8.
Nu we hier toch zijn, de standaard “stops” van licht zijn:
F/1,0 – F/1,4 – F/2,0 – F/2,8 – F/4,0 – F/5,6 – F/8 – F/11 – F/16 – F/22
De meeste digitale reflex cameras zijn in staat om de diafragmawaarde van de lens die bevestigt is aan de camera te wijzigen in stappen van 1/3 van een “stop”. Dus bijvoorbeeld, met mijn Canon 50mm F/1,4 op mijn Canon 40D, als ik mijn diafragmawaarde op mijn camera zou veranderen met 1 klik tegelijkertijd, dan zou ik die zien: F/2,0 -> F/2,2 -> F/2,5 -> F/2,8.
Als we de draaiknop op je digitale camera gaan bekijken. Als je beschikt over een digitale reflex camera en je wil totale controle over het toestel, moet de camera gebruiken in 1 van volgende 4 modes: P, Av, Tv of M.
P = Program mode. In de essentie, het vertelt de camera dat je zelf wat verantwoordelijkheden in eigen handen wil nemen. De camera laat je nu zelf de ISO-waarde instellen, dit iets wat de camera je niet liet doen in de automatische modes. Het zal je ook toelaten zelf je sluitertijd en diafragma waarde in te stellen, en het gaat niet meer automatisch de ingebouwde flash laten uitspringen. Wanneer je de P mode gaat selecteren, gaat de camera een diafragmawaarde selecteren op basis van een soort van interne logica en dan gaat dan de juiste sluitertijd instellen die bij die diafragmawaarde past. P mode zal niet de ISO-waarde instellen, als je wenst om deze te veranderen dan zal je dit zelf moeten doen. Wanneer je ontspanner half indrukt wanneer je in P mode bent zal de camera de sluitertijd en de diafragmawaarde tonen die hij zal gebruiken bij de volgende opname. Als deze instellingen je niet bevallen, kun je deze nog aanpassen door aan het draaiwiel naast de ontspanknop te draaien. Deze gaat de diafragmawaarde en sluitertijd aanpassen totdat deze je wel bevallen.
Av mode = Aperture priority mode. In deze mode, ga je exact aan de camera vertellen welke diafragmawaarde je wil gebruiken bij de volgende opname. De camera gaat bij deze waarde de juiste sluitertijd zoeken zodat je een goed resultaat verkrijgt. Av mode is goed voor de situaties waar je, bijvoorbeeld, je hebt weinig licht en jou grootste zorg is om altijd de snelste sluitertijd te verkrijgen om beweging te vermijden in je foto’s. Je stelt je diafragmawaarde in op het laagst mogelijke nummer en vanaf dat punt gaat je camera altijd die diafragmawaarde gebruiken zodat je altijd de snelste sluitertijd hebt (dit omdat je lens nu het meeste licht doorlaat) voor alles wat je wil gaan fotograferen. Av is ook goed in situaties waar er genoeg licht is, maar je wilt snel de scherptediepte kunnen controleren. Draai de knop een paar klikken in eenders welke richting en je gaat een andere scherptediepte verkrijgen.
Tv mode = Shutter priority mode. In deze mode, ga je je camera vertellen wat de exacte sluitertijd is dat hij moet gaan gebruiken. De camera gaat bij deze waarde van de sluitertijd een gepaste diafragmawaarde zoeken. Tv mode is goed voor situaties waar je nood hebt aan een specifieke sluitertijd. Misschien ben je baseballwedstrijd aan het fotograferen en je weet uit ervaring, dat als je een foto met een wazige baseballbat wil dat je precies moet fotograferen met een sluitertijd van 1/60ste van een seconde. Stel de sluitertijd dan in op 1/60ste van een seconde in Tv mode en de camera gaat de diafragmawaarde instellen dat je nodig hebt om een goede foto te maken. Misschien ben je op een autorace en je wil de sluitertijd zo instellen dat de auto wel stilstaat maar dat je nog wel kunt zien dat de wielen bewegen. Test een paar keer met verschillende sluitertijden, totdat je de juiste hebt gevonden en blijf vanaf nu met die sluitertijd foto’s nemen.
M mode = fully manual mode. In deze mode gaat de camera niets instellen. Deze instelling is voorbehouden voor de meest ervaren fotografen. Probeer het zelf een keer, je zult zien dat je veel moet proberen voor je een deftige opname gaat kunnen maken.
Een voorbeeld om alles nog eens te herhalen. Stel dat je voor een particulair object je camer in Av mode zet, je gebruikt de Canon 85mm F/1,8 als lens. Je wilt zo weinig mogelijk ruis in je beeld, omdat je van plan bent het resultaat op grote schaal af te drukken, dus je stelt je ISO in op 100. Je wilt een heel scherpe foto maken, dus je stelt je diafragmawaarde in op F/4. Je drukt de ontspanknop half in en je ziet dat de camera voor deze instellingen een sluitertijd wil gebruiken van 1/60ste van een seconde.
Nu, je gebruikt een 85mm lens op een body die een 1,6 crop factor heeft. Als je de duimregel volgt voor het in de hand houden, ga je bereken dat je een sluitertijd van minstens 1/136ste van een seconde (1 gedeeld door 85*1,6).
Dus je weet dat de lens nog altijd scherp is als je het diafragma een “stop” groter maakt. Dus je verzet je draaiknop 3 klikken van F/4 tot F/2,8. Nu heb je de hoeveelheid licht die door de lens gaat verdubbelt, dus gaat de sluitertijd van 1/60ste van een seconde gehalveerd worden tot 1/125ste van een seconde. Nu moet je zelf beslissen of je een persoon bent die een vaste hand heeft, zodat deze sluitertijd snel genoeg is en maakt je de foto. Maar misschien moet je ECHT zorgen dat deze foto scherp genoeg is en vertrouw je toch niet op ja vaste hand.
Sinds je maximale diafragma op deze lens groter is (kleiner nummer) dan de ingestelde waarde van F/2,8, kun je de lens nog een “stop” openen. Maar op F/2,0 gaat de scherptediepte veel te klein zijn en de lens levert niet de beste resultaten op deze diafragmawaarde. Je kunt de Iso-waarde met 1 “stop” verhogen van 100 tot 200. Dit verdubbelt de camera’s gevoeligheid voor licht. Omdat je in Av mode bent ingesteld en de camera de diafragmawaarde niet uit zich zelf verandert (herinner, in Av mode kun alleen jij de diafragmawaarde aanpassen), de camera zal de sluitertijd automatisch halveren en nu zal je opname aan 1/250ste van een sevonde @ F/2,8 met ISO 200 gebeuren.
Dit is een beginende, redelijk algemene introductie tot fotofrafie, maar de informatie die hier verspreid is universeel overdraagbaar tot alle camera, ongeacht zijn grootte.
Moesten er vragen, opmerkingen of aanvullingen zijn bij de inhoud van deze pagina, kunt u deze altijd mailen naar: blog@jelleverherstraeten.be.




